Nieuwe programma’s, maatschappelijke verwachtingen, personeelstekorten, volle agenda’s. In het onderwijs komt veel tegelijk samen. In die dynamiek stelt onderwijsbestuurder en curriculumontwikkelaar Luc Sluijsmans een vraag die iedere school zich geregeld zou moeten stellen: klopt het (nog) wat we doen?
Beeld: © Feike Faase
Luc Sluijsman
Met deze vraag trapte hij zijn keynote af tijdens de OCW Dichtbij-conferentie in Utrecht. Daarin nodigde hij schoolbestuurders, -leiders en leraren uit opnieuw naar hun onderwijs te kijken vanuit de kern: het curriculum.
Voor Sluijsmans is dat geen beleidsmatig begrip, maar de route die een school voor leerlingen ontwerpt. ‘Curriculum komt van het Latijnse woord currere: rennen. Ik zie het curriculum als de renbaan waarop leerlingen hun parcours lopen.’
De renbaan van de school
Dat beeld helpt om anders naar onderwijs te kijken. Een school ontwerpt een route waarlangs leerlingen zich ontwikkelen. Onderweg doen zij kennis op, oefenen zij vaardigheden, lopen zij vast, boeken zij succes en ontdekken zij nieuwe interesses. Alles wat zij meemaken vormt samen hun schooltijd.
Daarmee krijgt curriculum een bredere betekenis. ‘Je kunt een curriculum ook zien als het geheel van ervaringen die leerlingen opdoen’, zegt Sluijsmans. ‘Dat is uiteindelijk waar het op school over moet gaan.’
In die ervaringen zit de kracht van onderwijs. Een leerling die voor het eerst muziek maakt. Een klas die samen een vraag onderzoekt. Of het moment waarop een kind ontdekt dat rekenen ineens begrijpelijk wordt. Op zulke momenten gebeurt er iets dat verder gaat dan het behalen van doelen.
"Zie de nieuwe kerndoelen als ontwerpkader. Het curriculum maak je als school zelf"
Kerndoelen zijn geen curriculum
De actualisatie van de kerndoelen brengt het curriculum weer onder de aandacht. Tegelijk ziet Sluijsmans in de praktijk dat daar snel verwarring over ontstaat. ‘Kerndoelen zijn geen curriculum. Ze schrijven geen volgorde voor, geen werkvormen en geen tijdsindeling. Zie de nieuwe kerndoelen als ontwerpkader. Ze geven richting aan wat leerlingen moeten leren. Het curriculum maak je als school zelf.’
De ene school werkt klassiek met vakken en roosters, een andere organiseert het onderwijs rond leergebieden, thema’s of projecten. Weer een andere school vertrekt vanuit vragen van leerlingen. ‘Dat past bij het Nederlandse onderwijsstelsel zoals wij dat kennen. Scholen hebben ruimte om een eigen koers te varen. Maar die vrijheid vraagt wel om bewustzijn. Want als je als school je eigen curriculum mag vormgeven, moet je ook met elkaar kunnen benoemen wat je belangrijk vindt en waarom.’
Schoolontwikkeling is meer dan inhoud alleen
Volgens Sluijsmans gaat het gesprek over het curriculum daarom nooit alleen over inhoud. ‘Wie onderwijs wil vernieuwen, moet breder kijken. Curriculumontwikkeling vraagt ook iets van het team en van de organisatie.’
In zijn keynote benadrukte hij dat schoolontwikkeling bestaat uit drie zaken die steeds met elkaar moeten oplopen: curriculumontwikkeling, teamontwikkeling en organisatieontwikkeling.
‘Het een kan niet zonder het ander. Dat betekent bijvoorbeeld dat een school nadenkt over wat zij leerlingen wil aanbieden, maar ook over de vraag of daar de juiste mensen, tijd, middelen en organisatie voor aanwezig zijn. Een sterk plan op papier is nog geen goed curriculum als het rooster niet klopt, de expertise ontbreekt of het schoolgebouw niet ondersteunt wat je wilt bereiken.’
Daar ziet Sluijsmans in de praktijk veel misgaan. Scholen steken veel energie in projecten, nieuwe initiatieven en organisatorische oplossingen, terwijl het gesprek over de kern op de achtergrond raakt: wat moeten leerlingen hier eigenlijk onderwijzen, ervaren en meenemen?
Klopt het nog?
De vraag waarmee Sluijsmans scholen benadert, is dan ook even eenvoudig als scherp: klopt het nog? Wanneer hij een school binnenloopt, kijkt hij eerst rond. Hij luistert, observeert en probeert te voelen wat voor plek het is. Het is voor hem een manier om te onderzoeken of bedoeling en praktijk nog met elkaar verbonden zijn.
‘Als een school zegt dat samenwerking belangrijk is, zie je dat dan ook terug? Als een school zegt dat het onderwijs draait om eigenaarschap, ervaren leerlingen dat dan ook echt? En als een school een duidelijke visie heeft, is die dan zichtbaar in de dagelijkse keuzes?’
Samenhang geeft rust
Scholen waar die bedoeling helder is, laten vaak meer samenhang zien. Dat zorgt voor rust. ‘Leraren werken vanuit een gezamenlijke lijn. Leerlingen weten beter waar ze aan toe zijn en merken dat onderdelen met elkaar verbonden zijn.’
Dat is voor Sluijsmans een belangrijk signaal van curriculumbewust werken: leerlingen merken dat leraren iets met elkaar hebben afgesproken. Onderwerpen keren terug en regels verschillen niet per lokaal. ‘In een omgeving waarin voortdurend van alles beweegt, is dat van grote waarde.’
Het gedoe versus het goede
Tegelijk is Sluijsmans allesbehalve naïef over de praktijk. Hij weet hoe scholen werken en hoeveel er dagelijks op hen afkomt. Ouders met zorgen, incidenten, personeelstekorten, inspectiebezoeken, maatschappelijke discussies, beleidsdruk: het is er allemaal.
‘Gedoe is er altijd. Dat verdwijnt nooit helemaal. De vraag is dus niet hoe je het gedoe oplost, maar hoe je voorkomt dat het de koers van de school bepaalt. Van ‘gedoe’ kun je ook ‘goede’ maken. De vraag is waar je je aandacht op richt.’
Wie zich laat leiden door incidenten, raakt verstrikt in de waan van de dag. Wie het goede centraal houdt, blijft bouwen aan de ontwikkeling van de school.
"Van ‘gedoe’ kun je ook ‘goede’ maken. De vraag is waar je je aandacht op richt"
De schoolleider als gids
In die ontwikkeling speelt de schoolleider een sleutelrol. Niet als degene die alles beslist, maar als gids. ‘Een schoolleider is eigenlijk een gids. Iemand die de route kent, die helpt kiezen waar je heen gaat en die overzicht houdt. Een gids bepaalt niet iedere stap van de groep, maar helpt wel om koers te houden’, aldus Sluijsmans.
Voor schoolleiders betekent dat onder meer dat zij ruimte moeten maken voor het echte gesprek over onderwijs. Dat zij teams helpen prioriteren en dat ze samen afwegen wat past bij de richting van de school.
Een droombaan voor iedereen
Als schoolteams hun onderwijs zien als een parcours, gaan ze vanzelf nadenken over de baan die ze voor hun leerlingen willen ontwerpen. ‘Je kunt er allerlei banen van maken’, besluit Sluijsmans. ‘Een renbaan, een stormbaan, een achtbaan, een wildwaterbaan, een hindernisbaan. Maar wat je eigenlijk wilt, is een droombaan voor alle leerlingen. Een parcours dat hen helpt ontdekken wie ze zijn en wat ze kunnen.’
Zo’n droombaan is geen makkelijke weg. Leerlingen moeten oefenen, doorzetten en iets leren beheersen. Het verschil zit in de samenhang: klopt de route en versterken onderdelen elkaar? De nieuwe kerndoelen bieden een kans om daar opnieuw naar te kijken. ‘Wat willen we dat leerlingen hier meemaken? Wat laten we groeien? En wat laten we misschien ook los? Onderwijs maak je samen. Richt dus een droombaan in, voor leerlingen én voor de mensen die er werken.’
Luc Sluijsmans is bestuurder bij Openbaar Onderwijs aan de Amstel van 22 basisscholen in Amsterdam. Ook is hij Raadslid bij de Onderwijsraad. Voorheen was hij rector van DENISE, een PO/VO/ISK (Internationale Schakelklas)-school in Amsterdam. Hij is kundig in de theorie en praktijk over schoolontwikkeling met als specialisatie het vormgeven van het curriculum op school.