Sommige overtuigingen voelen zo vanzelfsprekend dat we ze nauwelijks bevragen. Vertel iemand dat een school met veel kinderen van hoogopgeleide ouders betere resultaten haalt dan een school in een kwetsbare wijk, en de kans is groot dat er instemmend wordt geknikt. Zo werkt het, toch? Wat betekent dit voor hoe scholen hun curriculum ontwerpen en laten landen in de klas?
Beeld: © Feike Faase Fotografie
Tijdens zijn keynote op de OCW Dichtbij-conferentie in Rotterdam nodigde onderwijssocioloog Iliass El Hadioui zijn publiek uit om hun blik te kantelen. Niet: klopt dit beeld? Maar: waarom klopt het zo vaak?
“Als we studiesucces kunnen voorspellen voordat een leerling überhaupt een les heeft gehad, moeten we ons iets afvragen. Hebben we een fantastisch model? Of maken we met elkaar waar wat we verwachten?” Wie alleen kijkt naar wat gebruikelijk is, mist wat mogelijk is. En daarmee ook hoe dat doorwerkt in het curriculum dat leerlingen ervaren.
Wat als we naar de uitzondering kijken?
In Nederland presteert een kleine groep scholen structureel beter dan verwacht gezien hun leerlingenpopulatie. El Hadioui noemt ze ‘zwarte zwanen’. “Het zijn er weinig. In het basisonderwijs ongeveer één op de tien scholen, in het voortgezet onderwijs nog minder. Maar ze bestaan. En ze doen iets wat anderen niet doen.”
De term zwarte zwanen komt niet uit het niets. De meeste zwanen zijn wit. Dat is wat we kennen, wat we gewend zijn en wat steeds opnieuw wordt bevestigd. In het onderwijs gebeurt iets vergelijkbaars: we kijken naar het gemiddelde en nemen dat als norm.
Daarom zijn zwarte zwanen zo interessant. Ze doorbreken het patroon en laten een ander perspectief zien. Dat roept een fundamentele vraag op: wat maakt deze scholen anders?
Van skill naar will
In veel gesprekken over onderwijs gaat de aandacht al snel naar de inhoud. Didactiek, lesmethodes, toetsing, leerdoelen. Alles wat valt onder het kopje ‘hoe’. El Hadioui plaatst dat onder de skill-kant van onderwijs.
“Die is essentieel. Natuurlijk moet je weten wat je doet. Maar het verschil wordt ergens anders gemaakt.” Die andere laag gaat over overtuigingen, verwachtingen en de manier waarop een team samenwerkt. “Je kunt een team hebben met veel vakmanschap. Mensen die hun werk goed beheersen. En toch blijven resultaten achter bij wat mogelijk is. Dan kom je uit bij de cultuur.”
Op scholen die boven verwachting presteren, verschuift het perspectief. De blik richt zich minder op achtergrond en meer op ontwikkeling en het vermogen van leerlingen en professionals. Daarmee ontstaat ook iets groters: een omgeving waarin kansen minder afhangen van herkomst en meer van wat leerlingen kunnen ontwikkelen. Dat raakt direct aan kansengelijkheid binnen de school.
"Het gaat om individualiteit zonder individualisme. En collectiviteit zonder collectivisme"
De beweging van ‘Ik naar We’
Zo’n verschuiving vraagt iets van de manier waarop teams functioneren. El Hadioui beschrijft dat als een balans tussen het individu en het collectief. Sterke teams geven ruimte aan de professional en werken tegelijkertijd vanuit een gezamenlijke opdracht. Leraren ontwikkelen hun eigen stijl en dragen bij aan een gedeelde richting.
“Het gaat om individualiteit zonder individualisme. En collectiviteit zonder collectivisme”, zegt hij. “En om samenwerking waarin ruimte blijft voor verschil.” Autonomie krijgt zo betekenis in de klas en samenwerking krijgt vorm in de verbinding tussen keuzes. In die wisselwerking ontstaat een cultuur waarin mensen elkaar versterken en aanspreken. Denk aan teams die elkaar in lesbezoeken opzoeken, samen lessen nabespreken en afspraken vertalen naar de praktijk.
Een cultuur van hoge verwachtingen als gedeelde praktijk
De manier waarop een team naar leerlingen kijkt, werkt door in dagelijkse keuzes. In veel scholen leven beelden over wat haalbaar is. Dit soort beelden sturen gesprekken, beïnvloeden beslissingen en kleuren verwachtingen.
Op scholen die boven verwachting presteren, zie je een andere dynamiek. Teams richten zich op groei en mogelijkheden. Ze zoeken actief naar wat leerlingen kunnen bereiken en handelen daar ook naar. “Dat vraagt dat je verder kijkt dan de eerste indruk”, zegt El Hadioui. “En dat je als team blijft onderzoeken wat er mogelijk is.”
"Een sterk ontwerp kan overtuigen op papier en toch weinig zichtbaar zijn in de klas"
Curriculum als zaadje, cultuur als vruchtbare bodem
De aandacht voor curriculumontwikkeling en de geactualiseerde kerndoelen past in deze beweging. Veel scholen beginnen bij de vraag wat er in het curriculum moet staan en hoe dat wordt opgebouwd. El Hadioui gebruikt een ander beeld.
“Je kunt een curriculum zien als een verzameling zaadjes. Goede ideeën, zorgvuldig ontwikkeld. Maar ze groeien alleen wanneer de bodem geschikt is. De bodem wordt gevormd door de manier waarop teams samenwerken en betekenis geven aan hun werk.”
Dit zie je ook terug in hoe lessen worden vormgegeven. Wanneer leraren de leefwereld van leerlingen betrekken, ontstaat er meer herkenning en betrokkenheid. Dat vraagt volgens El Hadioui om een inclusieve didactiek die verschillen benut, bijdraagt aan een inclusieve leeromgeving en leerlingen helpt om aan te haken.
“Een sterk ontwerp kan overtuigen op papier en toch weinig zichtbaar zijn in de klas. Wanneer hetzelfde ontwerp uitgerold wordt in een omgeving waarin de cultuur klopt, dan komt het plan tot leven. Het verschil zit in wat er tussen mensen gebeurt.”
De kracht van de why
In teams zie je de cultuur terug in het gesprek over de bedoeling van het onderwijs. Veel ontwikkeltrajecten richten zich op wat er moet gebeuren en hoe dat vorm krijgt. Minder vaak staat de vraag centraal waarom iets ertoe doet. “Daar ligt de kern”, zegt El Hadioui. “Als je die met elkaar scherp hebt, ontstaat er richting.”
Leraren kunnen verschillende keuzes maken in hun aanpak. Verschillen horen bij het vak. Wat leerlingen nodig hebben, is samenhang in wat ze ervaren. “De uitvoering kan variëren. De bedoeling blijft gedeeld. Wanneer teams elkaar op dat niveau vasthouden, ontstaat ruimte om te ontwikkelen.”
"Als je de kern met elkaar scherp hebt, ontstaat er richting"
Werken aan een sterke cultuur
De weg daarnaartoe vraagt tijd en aandacht. Geen losse interventies, maar een doorlopend proces waarin teams samen leren en reflecteren. Denk aan gezamenlijke studiedagen, lesbezoeken en gesprekken over wat goed onderwijs betekent in de eigen context.
Professionalisering krijgt daarmee een bredere betekenis. El Hadioui: “Het draait om het verbinden van individuele kwaliteiten aan een gezamenlijke opdracht. Daarmee groeit ook het vertrouwen van teams in hun gezamenlijke invloed op leren.” Dit wordt in onderzoek ook wel collective team efficacy genoemd.
Wat betekent dit voor curriculumontwikkeling?
Voor scholen die aan hun curriculum werken, draait het om één vraag: hoe zorg je dat wat je ontwerpt zichtbaar wordt in de praktijk? Bereikt het leerlingen? Sluit het aan bij hun leefwereld? Herkennen zij de bedoeling? “Uiteindelijk zie je het in de klas. Op een willekeurige ochtend. Dan wordt duidelijk of het werkt. Daar komt alles samen in het leerproces van de leerling.”
Naar een kantelpunt
Het aantal zwarte zwanenscholen is nog beperkt in Nederland. Tegelijk laten ze zien wat er mogelijk is. El Hadioui ziet hierin een richting voor de toekomst. “Stel dat een derde van de scholen zo gaat werken. Dan verschuift wat we normaal vinden en verandert het beeld van wat mogelijk is.”
De voorbeelden zijn er al en de inzichten ook. De volgende stap ligt in het versterken van de cultuur waarin die inzichten werkelijkheid worden.
Iliass El Hadioui is onderwijswetenschapper en docent aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam aan het Department of Psychology, Education and Child. Ook is hij ontwikkelaar van het verbetercultuur- professionaliseringsprogramma ‘De Transformatieve School’ en verbonden aan het Groeifonds-consortium Ontwikkelkracht. Onlangs kwam zijn nieuwste boek uit: Zwarte Zwanen Scholen – Ik, wij en de cultuur van hoge verwachtingen.