Hoe toetsen we straks de nieuwe kerndoelen? Dominique Sluijsmans krijgt die vraag geregeld van scholen. Haar antwoord begint een paar stappen eerder. Wie goede keuzes wil maken over toetsen, moet eerst weten wat leerlingen op school moeten leren en ervaren. Daarvoor moeten schoolteams terug naar het ‘groene hart’ van hun curriculum.

Toetsen roept al snel associaties op met cijfers, resultaten en spanning. Lector en onderwijskundige Dominique Sluijsmans trok het gesprek tijdens haar keynote op de OCW Dichtbij-conferentie in Utrecht breder. Voordat een school nadenkt over toetsvormen, moet helder zijn waar het onderwijs als geheel naartoe werkt.

“Goed toetsen begint nooit bij een toets. Je moet eerst terug naar de kern. Wat willen we onze leerlingen meegeven? Wat willen we dat zij tijdens hun schooltijd ervaren en leren?”

De nieuwe  kerndoelen en examenprogramma’s bieden scholen een kans om dat gesprek opnieuw te voeren. “We moeten voorkomen dat scholen denken dat je de kerndoelen meteen moet omzetten naar een toetsprogramma. De kerndoelen en examenprogramma’s zijn prachtig ontwerpmateriaal om opnieuw naar het leerplan als geheel te kijken”, aldus Sluijsmans.

"Goed toetsen begint nooit bij een toets"

Het groene hart van het curriculum

Om binnen dat leerplan bewuste keuzes te maken, is eerst een gedeelde basis nodig. Sluijsmans grijpt hiervoor terug op het curriculaire spinnenweb van Van den Akker. Dat brengt verschillende onderdelen van een curriculum samen, van leeractiviteiten en docentrollen tot tijd en toetsing. In het midden staat de vraag: waartoe leren leerlingen?

Sluijsmans merkte in haar werk dat die vraag schoolteams nog weinig houvast gaf. Dus werkte ze het midden verder uit tot wat zij ‘het groene hart’ noemt.

Dat hart bestaat uit zes puzzelstukken: leerlingen, inhouden, leren, onderwijzen, toetsen en curriculumkwaliteit. “De ene puzzelaar begint bij de rand, de andere bij een bepaalde kleur. Waar je begint, maakt niet zoveel uit. De kern is dat de stukken uiteindelijk in elkaar moeten passen.”

In het midden van de puzzel heeft Sluijsmans de leerlingen neergezet. Zij ervaren het ontworpen curriculum dagelijks in de klas, tijdens de lessen. “Als je de leerling uit het hart haalt, krijg je zielloos onderwijs.”

Beelden over leerlingen doen ertoe

Weten voor wie je onderwijs ontwerpt, gaat verder dan cijfers over de leerlingpopulatie. Ook de verwachtingen en aannames die leraren over hun leerlingen hebben, spelen mee.

Tijdens een sessie op een middelbare school vroeg Sluijsmans leraren hun leerlingen te beschrijven. Op de post-its stonden vooral negatieve kenmerken: te laat komen, geen huiswerk maken, passief gedrag. “Toen vroeg ik: wat doet het met jullie gedrag als je zo naar leerlingen kijkt?” Toen de docenten vervolgens terugdachten aan zichzelf als veertienjarige, bleek veel ineens herkenbaar.

Met die oefening maakt ze zichtbaar dat beelden over leerlingen ook het handelen van leraren beïnvloeden. Hoe je naar leerlingen kijkt, kleurt hoe je hen benadert in de klas. Leerlingen merken bovendien welke verwachtingen een leraar van hen heeft en of zij zich gezien voelen.

De blik op leerlingen hoort daarom thuis in het groene hart. Teams maken expliciet welke verwachtingen zij hebben en onderzoeken of die passen bij het onderwijs dat ze hun leerlingen willen bieden.

"Als je de leerling uit het hart haalt, krijg je zielloos onderwijs"

Toetsen is een werkwoord

Ook de manier waarop een school toetst, moet aansluiten bij die bedoeling. Sluijsmans spreekt bewust over toetsen als werkwoord. In de kern is toetsen voor haar een vorm van onderzoek.

“Toetsen gaat over het onderzoeken of bepaalde aannames die je hebt, kloppen. Je moet weten waar je nieuwsgierig naar bent bij leerlingen, wat je op welk moment wilt weten en wat je gaat doen om daar een goed antwoord op te krijgen.”

Vanuit die blik krijgt toetsen een andere lading. Het helpt zichtbaar te maken wat leerlingen al beheersen en waar zij nog verder in kunnen groeien. Die informatie helpt leraren om hun onderwijs af te stemmen op wat leerlingen nodig hebben. Een toets is dus geen doel op zich, maar een krachtig onderdeel van het leerplan.

Welke informatie nodig is, hangt af van het doel. Een korte check tijdens de les heeft een andere functie dan een doorstroomtoets.

Als de puzzel niet meer klopt

De manier waarop een school toetst, moet dus passen bij wat zij met haar onderwijs wil bereiken. Het groene hart maakt zichtbaar wanneer die bedoeling en de dagelijkse praktijk uit elkaar lopen. Een school kan bijvoorbeeld zeggen dat zij nieuwsgierigheid en vertrouwen wil stimuleren. Maar wanneer leerlingen ervaren dat toetsen hoofdzakelijk draaien om cijfers en zo hoog mogelijk scoren, passen de puzzelstukken minder goed in elkaar.

Gedeelde principes helpen om die samenhang te bewaken. Zo kan de afspraak zijn dat leraren tijdens het leerproces tijdig achterhalen wat leerlingen begrijpen. Hoe een leraar dat doet, kan verschillen. De gezamenlijke bedoeling geeft richting.

Het groene hart geeft teams zo een gezamenlijk referentiekader voor de praktijk. Sluijsmans: “Dit is wat we met elkaar als collectief hebben afgesproken. En hier mag je ons ook op aanspreken.”

"Je moet het hart blijven voeden. Anders blijft het niet groen"

Werken aan het hart is cultuurwerk

Die gezamenlijke basis ontstaat wanneer teams hun opvattingen bespreekbaar maken. Sluijsmans noemt dat ‘professioneel cultuurwerk’. Dat kan ongemakkelijk zijn. Een leraar kan bijvoorbeeld ontdekken dat hij al jaren cijfers geeft zonder nog precies te weten waarom. Zo’n inzicht biedt ruimte om van elkaar te leren.

Schoolleiders en intern begeleiders kunnen dit gesprek organiseren en zorgen dat gezamenlijke uitgangspunten terugkomen in de praktijk. Een voorbeeld van leerlingwerk of een bestaande toetspraktijk kan al genoeg zijn om te starten.

“Het goede nieuws is dat iedere school al een groen hart heeft”, zegt Sluijsmans. “De vraag is of het allemaal individuele groene puzzelstukjes zijn, of dat er samenhang in zit.”

Je ziet het aan de leerling

Het verhaal komt zo weer uit bij het midden van de puzzel. Een curriculum wordt voor leerlingen ontworpen. Als de onderdelen samenhangen, moeten zij dat kunnen ervaren in de klas. “Als het groene hart klopt, zie je dat aan de leerling.”

Dat hart vraagt wel onderhoud. Leerlingen veranderen, kennis ontwikkelt zich en ook de context van een school beweegt mee. Sluijsmans: “Je moet het hart blijven voeden. Anders blijft het niet groen.”

Dominique Sluijsmans is lector Curriculumontwikkeling aan Hogeschool Rotterdam en daarnaast zelfstandig onderwijskundige. In haar werk houdt zij zich bezig met formatief handelen, toetsing en curriculumontwerp.